Eet je boterham

Eet je boterham

De idioterie van het dagelijks leven valt me te zwaar, roep ik de grote zwarte duisternis in, Hoe kan een mens functioneren als er geen licht is? In duisternis heerst dood, ik kan alleen leven in het licht, in het zonlicht.

Zeur niet zo en eet je boterham, roept de stem van mijn moeder uit de keuken, je klinkt als de dominee.

In het donker tast ik rond op zoek naar voedsel, ik kan het niet vinden. Ik ben het zat, brom ik tegen niemand in het bijzonder, aangezien er niemand bijzonder in de buurt is. Voor zover ik kan zien dan hé, want het is stikke donker om mij heen. Het is meer dan nacht, deze duisternis, hij houdt me gevangen, en als iemand niet snel het licht aan doet dan zit ik hier nog eeuwenlang. Opgesloten in een grot, en ergens achter mij nog verder de duisternis in ligt de draak. Hij slaapt nu nog, maar als hij wakker wordt en ziet dat ik mijn boterham niet op heb, dan zal de wereld schudden op zijn grondvesten.
En dat wil ik niet op mijn geweten hebben, zulke goede huizen bouwen we niet, en als de draak de wereld doet schudden storten ze in.

Heb je nu je boterham al op? roept de stem van mijn moeder uit de keuken.

Vaarwel duisternis, ik groet u, mompel ik zachtjes, en tegen de stem van mijn moeder roep ik: ik neem afscheid van alles en iedereen, zover er iemand is hier in die duisternis, en ik ga weg. Ik ga op reis, naar een ver land waar de zon schijnt.

Maar eerst eet je je boterham op, roept de stem uit de keuken weer.

Fuck de boterham! En ik loop het licht tegemoet. Geen idee welke kant ik op moet, en ik ben doodsbang dat ik naar achteren loop waar de draak te slapen ligt. Stel je voor dat ik zo zijn open bek inloop, dat zou een nachtmerrie zijn. Je fantasie slaat op hol, denkt mijn hoofd, terwijl hij mijn benen stap voor stap laat zetten en mij meeneemt naar het licht.

Geen koffers meenemen hoor, we reizen licht, met de snelheid van het licht, en je mag sowieso maar 20 kilo mee, zeker als je zelf het overgewicht bent. Heel ver in de verte hoor ik:

Eet nou je boterham eens op……

Als ik in het licht kom, staan daar mensen op mij te wachten, en van vreugde weet ik niet wat ik doen moet, het welkom is warm, en dat is benauwend, maar ook prettig, want ik ben weg uit de kilte van de duisternis en ver weg van de draak. En opeens is daar de IJskoning. Ik hoorde al dat je hier was en hij pakt mijn handen, maar ik ruk ze los, want ik moet zo heel erg huilen, gênant gewoon. En ik wil niet dat hij mijn tranen ziet, dat snapt hij toch niet. Dus ik sla mijn handen voor mijn ogen en mijn moeder die naast me zit zegt tegen de IJskoning: zo is ze al sinds ze hier zit. Zit ze hier al lang? vraagt de IJskoning, en mijn moeder antwoordt: zo lang als ik haar ken. En opeens roep ik tussen mijn tranen door: maar je kent me helemaal niet, je weet niet eens wie ik ben, voor jou ben ik een wandelend geboortebewijs, een kind der zonden.
Laat me met rust!

En weer loop ik weg, van alles en iedereen, en ik laat alles achter en gesp mijn rugtas om. Is dat alles wat je meeneemt? Vraagt iemand. Ja, antwoord ik, ik heb niet veel nodig waar ik naar toe ga.

Eet eerst even je boterham op, zegt de stem van mijn moeder achter me.

En ik denk: ik raak het allemaal nooit kwijt hoe lang ik ook op reis ga en hoe ver ik ook wegga, al dat gedoe al die idioterie, het reist allemaal met me mee. Eeuwig. Misschien kan ik dan maar weer beter de duisternis in, daar zie ik het niet. Daar kan ik net doen alsof het niet bestaat.

Of misschien moet ik nog ietsje verder reizen, naar dat stipje daar, net achter de horizon. Ik duw iedereen aan de kant en ga op pad. Mijn pad, en mijn moeder laat ik achter, bij de IJskoning, ik heb bij allebei een boterham in hun mond gepropt zodat ze niets meer kunnen zeggen. Lekker stil.

Leuk artikel? Deel het!
Reageren is niet mogelijk.